Dat dit kwintet een van Brahms' lievelingswerken was, zegt veel over zijn kwaliteiten. De componist stond immers uiterst kritisch tegenover de vruchten van zijn eigen arbeid. De compositie dateert uit 1861-62 maar onderging verscheidene wijzigingen vooraleer ze in de uitgave van 1865 haar definitieve vorm kreeg.
Het werk ontstond als een strijkkwintet voor twee violen, altviool en twee celli. Deze eerste partituur werd door de componist vernietigd omdat bevriende musici zoals Joseph Joachim en Clara Schumann niet enthousiast waren over de eerste uitvoering in privékring in 1863. Brahms nam de compositie opnieuw ter hand en voltooide datzelfde jaar nog een versie voor twee piano's, dat geen noemenswaardige wijzigingen bevatte. In Brahms’ catalogus staat de compositie vermeld als sonate onder het opusnummer 34b. Pas in 1872 gaf Brahms de toelating om deze tweede versie te publiceren.
Maar ook over deze sonate waren de meningen verdeeld. Na de creatie in 1864 te Wenen gaf Clara Schumann uiting aan haar wanhoop. "Dit werk zit zo boordevol ideeën dat een volledig orkest nodig is om ze tot hun recht te laten komen. De piano laat een deel van de ideeën verloren gaan… Ik smeek je, herbekijk de partituur nogmaals", schreef ze aan Brahms, die nochtans erg blij was met deze versie voor twee piano's. Toch herschreef hij de partituur nogmaals in de zomer van 1864, te Baden-Baden. In deze definitieve vorm kon het werk eindelijk de muziekgeschiedenis ingaan als een onovertroffen meesterwerk.
Het eerste deel is een Allegro in de meest klassieke sonatevorm. Het beginthema straalt edele kracht uit en wordt gevolgd door een tweede, veeleer lyrisch thema, dat op zijn beurt tot een derde, erg ritmisch thema leidt. De ontwikkeling maakt uitsluitend gebruik van de eerste twee thema's, waana men in de herneming het energieke elan van het begin terugvindt, in een viriele pathetiek die aan Beethoven doet denken.
Het Andante grijpt dan weer terug naar Schubert, die andere grootmeester van het strijkkwintet. Het loodst ons binnen in een somber en mistig universum, vol golvende ritmes en vluchtige schimmen. Het daaropvolgende Scherzo baadt opnieuw in Beethoveniaanse sferen, zonder zich echter los te maken van de noordelijke sfeer van het voorgaande. Gesyncopeerde ritmes brengen het dolende, bevreemdende karakter mooi tot uiting.
De omvangrijke Finale, met zijn schat aan thema's die breedvoerig worden uitgewerkt, lijkt te drijven op de lyrische intuïtie van de componist, zonder voorbedacht formeel plan. Elke nieuwe passage lijkt als vanzelf uit de ontwikkeling van de vorige voort te komen, om uiteindelijk te leiden tot een dramatisch hoogtepunt dat wordt afgesloten met een uitbarsting van blakende, ontspannen akkoorden.
Claude Jottrand vertaling : Veerle Lindemans
|
Johannes Brahms (1833-1897) Kwintet voor piano en strijkers in f-klein, op.34 Allegro non troppo Andante, un poco adagio Scherzzo (Allegro) Finale |