Francais Nederlands
Kalender Edito Festivals Info Partners Newsletter Contacten
back DIN 10.08 2010 next
M Miniemenkerk
ENSEMBLE ATYS
Adrien Mabire cornetto
Sandie Griot bazuin
Karolina Herzig orgel
line
Het programma dat wij u vandaag presenteren betreft een bijzondere scharnierperiode in de geschiedenis van de muziek en dompelt ons onder in een muzikale ambiance doordrenkt van traditie en moderniteit.
Als men immers het begin van de Italiaanse barok willekeurig dateert in 1607 - het jaar waarin de Orfeo van Monteverdi in première gaat, de eerste opera (drama in musica) die als dusdanig geboekstaafd staat - dan zijn heel wat latere werken (die van Monteverdi incluis) ruimschoots schatplichtig aan de oudere tradities: namelijk die van de renaissance. Wat de renaissance dan naar de barok doet neigen, is de wil om uitdrukking te geven aan de gevoelens, getuige hiervan met name het theater dat zijn intrede doet in de kerk. In de muziek zorgen de affetti musicali ervoor dat de tonaliteiten overeenstemmen met een gevoel of een affect (zo is do klein bv. de tonaliteit van de droefenis, de kommer); de manier van spelen gaat zelf ook uitdrukking geven aan een idee, een stemming, een karakter, enz. In de werken uit die tijd beginnen personificaties een zeer belangrijke dramaturgische plaats in te nemen (Monteverdi zal één van de pioniers zijn ter zake, hij gaat zelfs zó ver dat hij instrumenten karakteriseert). Met name in de instrumentale muziek leveren deze personificaties de eerste muzikale portretten zoals la Bernardina of nog la Frescobalda.

Als er al een overblijfsel van de renaissance is, dan is het de continuo: deze is vrij, wordt geïmproviseerd, is zonder vastgelegde formering (tenzij de instrumenten die de bas spelen), contrasteert met een stijl die van langsom meer gesofisticeerd wordt, en is specialistisch wat de instrumentatie betreft. Het instrument als solo begint zijn intrede te doen wijl het zich langzaam losmaakt van zijn oude rol van colla parte (letterlijk: de vocale partijen doubleren, verdubbelen). Zo wijdde de virtuoos Castello al zijn moeite aan een nieuwe instrumentale kunst, een soort van alter ego volgens cornettist Jean Tubéry van de seconda pratica van de ontluikende eeuw.
Nochtans blijft het stemgebruik altijd aanwezig, als een watermerk, en paradoxaal genoeg als overdrager van een taal die op zoek is naar een zekere instrumentale onafhankelijkheid. Want de Italiaanse barokmuziek torst een zware traditie van vocale muziek. Zoals in Vlaanderen op hetzelfde moment, kent de Italiaanse renaissance een zeer bijzondere plaats toe aan de vocale polyfonie, of het nu om sacrale dan wel om profane muziek gaat. Ze is soms zelfs de motor voor nieuwe genres zoals dat van de diminutie van madrigalen of van beroemde chansons die oorspronkelijk bedoeld waren om vier - of vijfstemmig gezongen te worden. Het komt er dan voor de componist op aan om het melodisch parcours van één van de stemmen opnieuw te gebruiken en het te versieren door de ritmische waarden te verkleinen.
Daarom is het van primordiaal belang voor de uitvoerders van deze muziek steeds een vocale lezing van de werken te doen om zo instrumentaal een discours en een scanderen - eigen aan de stem - te reconstrueren.

De cornetto is bij uitstek het instrument van de kerk en leent zich met gemak voor het spel op de tribune. Dit programma dat opgebouwd is rond de cornetto en zijn « grote neef » de bazuin verdraagt het gebruik van een tribune-orgel, het volume van de instrumenten is immers belangrijker dan de strijkers.
Wij hebben vandaag geopteerd voor werken die de instrumenten met mondstuk in een lage diapason in de verf zetten. Vermits het orgel van de Miniemenkerk in la = 415 staat (dit is een zeer lage diapason voor de Italiaanse XVIIe eeuwse muziek), moesten we voor overeenkomstige instrumenten (in 415) zorgen. Voor sommige stukken zoals Io son Ferito heb ik voor een cornetto in 465 gekozen. Het orgel moet dan een toon hoger spelen of de cornetto een toon lager.


Adrien Mabire
vertaling : Brigitte Hermans
Dario Castello (ca.1590-ca.1630)
Sonata quarta

Giovanni Paolo Cima (ca. 1570-ca.1630)
Sonata per cornetto e trombone

Luzzasco Luzzaschi (1545-1607)
Toccata del quarto tuono

Giovanni Battista Bovicelli (fl. 1592-4)
Io son ferito

Girolamo Frescobaldi (1583-1643)
Toccata cromatica per le levatione

Girolamo Frescobaldi (1583-1643)
Sonata terza “La Bernardina”

Giovanni Picchi (ca 1571-1643)
Sonata sesta

Giulio Cesare (1540-1603)
La Hieronyma

Bartolomé de Selma y Salaverde (ca.1580-1638)
Vestiva I Colli