De zes suites voor cello solo van J.S. Bach werden rond 1720 gecomponeerd in de gelukzalige jaren aan het hof van Koethen. Het is enerzijds een didactisch werk van geduchte technische moeilijkheidsgraad, anderzijds een groots voorbeeld van manifest meesterschap. Deze suites voor cello gelden als onbetwiste referentie voor de literatuur voor dit instrument en luiden ook min of meer de teloorgang van de viola da gamba in. Merkbaar schatplichtig aan Italiaanse en Franse invloeden, geven ze blijk van een grote diversiteit in inspiratie maar verkrijgen tegelijkertijd vanuit de vormelijke gestrengheid, hun kracht en hun samenhang. Onbegrepen door de romantici en slechts erkend in de loop van de XXe eeuw, nemen ze sindsdien een uitgelezen plaats in het concertrepertoire van cellisten uit de hele wereld in.
Tussen 1717 en 1723 als Bach verblijft aan het hof van Koethen en er geen orgelmuziek noch kerkmuziek moet schrijven, concentreert hij zijn creatieve energie op de orkestrale en instrumentale kamermuziek. De calvinistische sfeer waarin dit kleine Duitse hof baadt alsook de comfortabele materiële omstandigheden blijken een erg positieve invloed op zijn inspiratie te hebben gehad : het was de uitermate vruchtbare periode van de concerti voor viool, van de Brandenburgse concerti of nog van het eerste boek van het Wohltemperierte Klavier. Deze gelukkige jaren - tenminste tot aan de dood van zijn jonge vrouw - besteedt Bach ook aan de muzikale opvoeding van zijn eerste kinderen en hij componeert voor hen didactisch, leerzame stukjes.
Deze suites zijn lange tijd gereserveerd gebleven voor de elite onder de betrokken instrumentisten en pas in 1825 gepubliceerd in Wenen. De originele manuscripten zijn verloren gegaan, de oudste copieën zijn van de hand van Bachs tweede vrouw, Anna Magdalena. Het merendeel van de 19e eeuwse muzikanten beschouwde ze vooral als technische studies, natuurlijk wel geniaal - zowel op het vlak van de compositie als op het vlak van de bewonderenswaardige kennis van de instrumentale mogelijkheden waarvan Bach blijk geeft - maar onspeelbaar tijdens een concert wegens té streng, té moeilijk, en niet vermakelijk genoeg. Schumann die grote achting voor hen had en er zich niet van bewust was dat hij het werk van Bach hiermee grondig vertekende, componeerde er een pianobegeleiding voor in de hoop ze conform te maken aan de smaak van het moment en meer toegankelijk voor het publiek van die tijd. In het begin van de vorige eeuw heeft Pablo Casals ze regelmatig in zijn concertprogramma’s opgenomen en hen zodoende hun terechte plaats binnen het al bij al beperkte repertoire voor de cello solo teruggegeven.
De suites voor cello ontlenen hun vorm aan de danssuite, de voornaamste vorm binnen de westerse muziek, en gecodificeerd in de 17e eeuw. De belangrijkste aspecten van een suite zijn de onderverdeling in een beperkt aantal min of meer autonome stukjes, de alternantie van trage en levendige bewegingen en de schikking van de betrokken dansen in een quasi vaste volgorde. Het symmetrische aspect dat hieruit voortkomt, laat toe te bevestigen dat ze samen een geheel vormen, zelfs al beschikt men niet over het formele bewijs dat ze alle zes samen tot stand zijn gekomen. Men denkt over het algemeen dat ze gecomponeerd zijn voor Christian Ferdinand Abel, een uitnemend gambist en cellist aan het hof van Koethen. Bach zelf speelde geen cello maar bezat duidelijk een perfecte kennis van strijkinstrumenten.
Elke suite is in een verschillende toonaard geschreven en heeft een kenmerkend karakter; maar zoals het in bijna heel zijn oeuvre het geval is, gaat Bach hier op zoek naar de diversiteit binnen een unitair geheel, bedient hij zich van het vormelijke keurslijf om zijn inspiratie te stimuleren en reserveert hij zijn fantasie en verbeelding voor de inhoud. Zo zijn de preludes van elke suite heel verschillend van mekaar; Italiaanse inspiratie is voornamelijk terug te vinden in de dansen met een levendig karakter - de gigues en de courantes - , een eerder Franse inslag spreekt in de andere bewegingen; de sarabandes bevatten bladzijden van een intense expressiviteit. Maar het geheel van de zes suites vibreert van begin tot einde van het bijzondere genie van de componist.
Claude Jottrand vertaling : Brigitte Hermans
|
Johann Sebastian Bach (1685-1750) Suite nr.1 in g-groot, BWV 1007 Prelude Allemande Courante Sarabande Menuet I & II Gigue
Suite nr.2 in d-klein, BWV 1008 Prelude Allemande Courante sarabande Menuet 1 & 2 Gigue |