Sinds de compositie van Mozarts concerto KV 299 in 1778 is de combinatie van fluit en harp bij het publiek bijzonder populair. Toch is het originele repertoire voor deze bezetting zeker niet uitgebreid. De salonmuziek van de negentiende eeuw omvat niettemin enkele voorbeelden van werken voor fluit en harp, maar het grootste deel bestaat uit transcripties, doorgaans van werken die aanvankelijk gecomponeerd waren voor een solo-instrument met pianobegeleiding.
De Entr’acte van Jacques Ibert uit 1937 kan door verschillende instrumenten worden uitgevoerd: de fluit kan worden vervangen door een viool, de harp door een gitaar. Het is bekend dat Ibert in zijn kamermuziek graag blaasinstrumenten gebruikte en dat hij ook een voorkeur had voor korte werkjes. Beide tendensen worden door deze Entr’acte treffend geïllustreerd.
De Cygne, een uittreksel uit het Carnaval des Animaux van Saint-Saëns, behoeft geen introductie meer. Het is bijzonder vaak te horen, hetzij in de oorspronkelijke versie voor cello en piano, hetzij in een van de talloze transcripties die overal ter wereld circuleren en die soms ook dienstdoen als liftmuziek, telefoonmuziek en zelfs gsm-beltoon. Toch weet het nog altijd te bekoren met zijn melodische kracht en heerlijke landelijke eenvoud.
Chopins Variaties op een thema van Rossini, met name van een thema uit Cenerentola, zijn bestemd voor een duo van fluit en piano. Het staat in feite helemaal niet vast dat het werk echt van Chopin is. Het werd misschien wel geschreven door een bekwame imitator… Volgens kenners van Chopins oeuvre zou het van 1824 dateren en bestemd zijn geweest voor de vader van de componist, een amateur-fluitspeler, of voor Jan Matuszynski, een van zijn vrienden. De fluitpartij is niet oninteressant, in het bijzonder door haar zeer spectaculaire virtuoze karakter, maar de pianopartij (of in dit geval harppartij) is beperkt tot enkele eenvoudige, niet echt geïnspireerde akkoorden.
De Fantaisie op. 124 van Saint-Saëns is eveneens een transcriptie van een werk dat oorspronkelijk werd gecomponeerd voor viool en harp, en wordt hier dus evenmin in haar originele versie gebracht. Het is niettemin een bijzonder interessant werk, want een van de weinige compositie van Saint-Saëns waarin de invloed van Debussy te merken is. De componist verlaat hier enigermate zijn bekende classicisme en waagt zich in de buitengebieden van het modernisme. Het werk bestaat uit vier onderscheiden delen, waarvan het eerste en het laatste het karakter vertonen van geïmproviseerde muziek, terwijl de twee centrale delen, waar de twee instrumenten op gelijke voet in dialoog treden, kunstiger zijn opgebouwd. Deze Fantaisie is opgedragen aan twee muzikantes uit het Oostenrijkse Brünn, de zussen Marianne en Clara Eissler, die het werk in 1907 voor het eerst uitvoerden in Londen. Sinds het tijdens een concert werd uitgevoerd door Jean-Pierre Rampal (fluit) en Marielle Nordman (harp), heeft deze transcriptie een vaste plaats op het repertoire verworven.
Als u nog nooit van Eugène Damaré hebt gehoord, hoeft u zich geen zorgen te maken: voordat ik deze tekst schreef, ik evenmin. Deze Franse fluitist werd geboren in Bayonne. Hij verwierf tijdens zijn leven grote faam, in het bijzonder als piccolovirtuoos, maar heeft ook een behoorlijk uitgebreid oeuvre nagelaten voor zijn instrument, en een onderwijsmethode voor fluit, met een speciaal hoofdstuk gewijd aan de piccolo. Vele van zijn werken zijn geïnspireerd door vogelzangen en werden daar ook naar vernoemd. Dat geldt echter niet voor zijn Cracovienne, die eerder een eerbetoon was aan Chopin en aan diens legendarische virtuositeit.
Claude Jottrand vertaling : Jeroen De Keyser
|
Jacques Ibert (1890-1962) Entr’acte voor fluit en harp
Camille Saint-Saëns (1835-1921) Le Cygne (Le Carnaval des animaux)
Frédéric Chopin (1810-1849) Thema en variaties op een aria van Rossini
Camille Saint-Saëns (1835-1921) Fantaisie, op.124
Eugène Damaré (1840-1919) Cracovienne
|