Francais Nederlands
Kalender Edito Festivals Info Partners Newsletter Contacten
back DON 19.08 2010 next
C Conservatorium
QUATUOR TERCEA
Claire Bucelle viool
Anne Camillo viool
Céline Tison altviool
Pauline Buet cello
Photo
line
Maart 1824 : Schubert heeft zopas de laatste hand gelegd aan zijn Belle Meunière. Alvorens zich terug met het lied bezig te houden - een genre dat hij heel zijn leven heeft gebezigd en dat in zekere zin de ruggengraat van zijn muzikaal oeuvre uitmaakt - componeert hij gelijktijdig twee kwartetten, beide met eenzelfde tragisch karakter.
De vele brieven uit deze periode tonen ons een sombere en melancholische Schubert, ver van zijn vrienden, ten prooi aan zware gezondheidsproblemen en zijn eeuwige geldperikelen. Zijn dagboek staat vol met de meest sombere verlustiging van zwaarmoedigheid. Dit belet hem echter niet om zich met koorstachtige verrukking in het componeren te storten : ik heb verschillende genres uitgeprobeerd : heb twee kwartetten en een octet geschreven; ik wil mezelf op die manier de weg bereiden voor de symfonische muziek.
Wat hoogst ongewoon is, is dat Schubert lang wacht vooraleer de partituur af te maken. Ze zal pas tot stand komen in januari 1829, wordt hernomen en meermaals onvoltooid achter gelaten zodat men niet weet of de tweede beweging van La Jeune Fille et la Mort - een variatie op het thema van het gelijknamige lied - vóór de andere is geschreven, wat vermoedelijk wel zo is en in dat geval zou ze haar sombere stemming moeten opleggen aan het hele stuk. Of moet men er integendeel vier bewegingen met elk een verschillend - zelfs tegengesteld - karakter in zien, getuige hiervan de verscheidenheid van de gebruikte ritmische groepen, alsook de veranderingen van toonaard? De hypothese in dat geval is dat Schubert deze bewegingen los van elkaar zou gecomponeerd hebben om ze later bijeen te brengen in één enkel kwartet.
Voor Schubert (en voor Mozart, vóór hem) is re klein sinds lang de toonaard van de dood, die van het lied La Jeune Fille et la Mort dat hij in 1817 is beginnen te componeren op een gedicht van Claudius en waarvan hij hier gebruik zal maken in de tweede beweging (eigenaardig genoeg transponeert hij de beweging echter naar sol klein, de tonaliteit van de Roi des Aulnes, waarvan enkele thematische elementen ook in het kwartet voorkomen).
De gedachte aan de dood als vertrouwde en troostende gezel (het Duitse woord is mannelijk) duikt als een leitmotiv overal op in het werk van Schubert. De vroegtijdige dood van de componist, nauwelijks 31 jaar, versterkt dit gevoel trouwens alleen maar voor de luisteraar die Schuberts’ oeuvre a posteriori beschouwt en weet heeft van zijn tragisch lot. Dit thema van de dood wordt weergegeven door een obsederend ritme, als een mars of eenvoudigweg als het kloppen van het hart; het is verbonden met de helderheid van de melodische lijn en lijkt in de muziek van Schubert de afspiegeling van een innerlijk debat te zijn, in de kern zelf van het wezen, tussen de roep van het leven, een zekere jeugdige onstuimigheid en de verlokking tot de duisternis, gekoppeld aan een metafysische reflectie. Deze permanente spanning tussen de melodische expansie en de onverbiddelijke ritmische structuur, tussen de striktheid van de vorm en de totale vrijheid van de mijmering, een spanning waarvan de natuur keer op keer de weerspiegeling is, of integendeel bron van bedaring, is tevens het hart zelf van het Duitse romantisme.
Het kwartet dat zelfs door de verwanten van Schubert met terughoudendheid was onthaald en door Schott geweigerd werd, is bij leven van de componist nooit uitgegeven. Het verscheen uiteindelijk pas in 1832 bij Czerny.


Claude Jottrand
vertaling : Brigitte Hermans
Franz Schubert (1797-1828)
Kwartet nr.14 in d-klein “Der Tod und das Mädchen”, D.810
Allegro
Andante con moto
Scherzo: Allegro molto
Presto