Francais Nederlands
Kalender Edito Festivals Info Partners Newsletter Contacten
back DIN 24.08 2010 next
M Miniemenkerk
LES MUFFATTI
Georges Barthel traverso
Peter Van Heyghen leiding

Dmitry Badiarov viool I
Catherine Meeùs viool I
Marie Haag viool I
Marcin Lasia viool II
Benedicte Verbeek viool II
Ann Cnop viool II
Wendy Ruymen altviool
Julie Vermeulen altviool
Marian Minnen cello
Magali Boyer cello
Benoît Vanden Bemden contrabas
Kris Verhelst klavecimbel
Photo
line
Van alle evoluties binnen de instrumentale muziek aan het begin van de 18de eeuw was die van de traverso ongetwijfeld één van de meest opvallende en ingrijpende. Tijdens de jaren 1720 immers werd de traverso overal in Europa zowel op bouw- als speeltechnisch vlak ontwikkeld tot het enige blaasinstrument dat zich ten volle kon meten met de expressiemogelijkheden en virtuositeit van de viool: de traverso werd voortaan in vier delen gebouwd zodat het profiel van de boring kon worden geperfectioneerd en zodat het instrument aanpasbaar werd aan verschillende stemtonen; ook gingen steeds meer instrumentalisten zich voortaan specialiseren op de traverso, terwijl het daarvóór doorgaans slechts als tweede instrument werd bespeeld door hoboïsten. Aanvankelijk was het vooral de sonate dat het vehikel werd van fluitisten om zich te meten met hun collegae violisten, maar al gauw zou de traverso ook binnendringen in het dat toen gold als het kroondomein bij uitstek van de viool: het soloconcerto. Opvallend daarbij is het feit dat het zowaar een violist was die aan de oorsprong lag van het soloconcerto voor fluit; het was met name niemand minder dan Antonio Vivaldi die in 1729 te Amsterdam als eerste een bundel met zes concerto’s voor traverso, strijkers en basso continuo publiceerde. Uiteraard was het vooral bij fluitist-componisten zoals Jacques-Christophe Naudot, Pierre-Gabriel Buffardin, Michel Blavet en later ook Johann Joachim Quantz dat het Vivaldiaanse voorbeeld grote navolging genoot, maar ook andere componisten, die net zoals Vivaldi zelf notoire vioolvirtuozen waren, leverden belangrijke bijdragen tot het nieuwe genre. Aan twee van hen is het voorliggende programma gewijd.
Alhoewel er geen enkele aanduiding bestaat die er op wijst dat Jean-Marie Leclair en Henry-Jacques De Croes zelfs maar van elkaars bestaan hebben afgeweten – Leclair was afkomstig uit Lyon en het grootste gedeelte van zijn carrière actief te Parijs; De Croes was Antwerpenaar van geboorte en vrijwel zijn hele leven werkzaam te Brussel – waren ze vrijwel perfecte tijdgenoten en zijn er in hun leven en werk een aantal opvallende gelijkenissen vast te stellen: vooreerst waren ze, zoals eerder vermeld, beiden vioolvirtuozen en zowel als uitvoerder als componist grondig vertrouwd met het moderne Vivaldiaanse idioom; daarnaast waren ze beiden ook flink bereisd en daardoor aantoonbaar in ruime mate op de hoogte van recente stilistische ontwikkelingen in een aantal belangrijke Europese muziekcentra; tot slot vertoonden ze, alvast gedeeltellijk, een analoge benadering tot het nieuwe genre van het fluitconcerto: beiden schreven met name concerti die zowel op viool als op fluit kunnen worden uitgevoerd. Leclair schreef weliswaar slechts één dergelijk concerto, dat mogelijkerwijze werd gecomponeerd voor zijn vriend en collega Michel Blavet; de andere elf concerti uit zijn Op.7 en Op.10 zijn op ondubbelzinnige wijze bedoeld voor viool. Van de zeven in handschrift overgeleverde concerti van De Croes zijn er drie zijn voor fluit of viool geschreven; de andere vier, enigszins verrassend misschien, zijn expliciet bedoeld voor fluit.
Het meest opvallende verschil tussen de beide componisten echter is wellicht het feit dat alleen Leclair uitgroeide tot een alom gekend en gewaard componist, en dat reeds tijdens zijn leven. Voor De Croes gold blijkbaar jammer genoeg het oude spreekwoord: “wanneer het regent in Parijs, dan druppelt het (slechts) in Brussel”.
Les Muffatti zijn ervan overtuigd dat dit spreekwoord helemaal niet van toepassing is op de respectievelijke compositorische kwaliteiten van de “Parijse” Leclair en de “Brusselse” De Croes en vinden dat de tijd rijp is om ook De Croes eindelijk de waardering te gunnen die hij op onmiskenbare wijze verdient. Via het voorliggende programma waarin beide componisten met elkaar geconfronteerd worden, willen ze ook de luisteraar een kans bieden om zich hierover zelf een idee te vormen.


Peter Van Heyghen
Jean-Marie Leclair (1697-1764)
Concerto voor fluit in C-groot, op.7 nr.3
Allegro
Adagio
Allegro assai


Henri-Jacques De Croes (1705-1786)
Conceto in G-groot
Allegro
Adagio
Allegro